Een stukje
geschiedenis
Niettegenstaande er sporen werden gevonden van een Romeinse nederzetting is er
slechts vanaf de 12de eeuw sprake van Koolkerke als dorp. Rond 1150 zou de eerste
parochiekerk gebouwd
zijn. Door Koolkerke liep in vroegere eeuwen het Oude Zwin, de oude waterloop die naar de
monding van het eigenlijke Zwin vloeide en ongeveer de lijn volgde van de huidige weg
Brugge-Koolkerke-Oostkerke-Knokke. Koolkerke ontstond op het kruispunt van de Doestweg
(cfr. abdij ter Doest) en het Oud Zwin of Zoete Vaart (parallel met de Brugse Steenweg)
.Op de splitsing werd in 1447 een houten brug gebouwd (Koolkerkebrug of 'kercstige
brugghe'). Pas later in de 17de eeuw werd de brug dichter bij Brugge aangelegd.
In de 14de eeuw ontstonden 2 wijken in Koolkerke: 1° Ter Panne, een komvormige depressie in de bodem in het midden van een kreek (nu nog terug te vinden als mote van de voormalige stenen windmolen langs de Dudzeelse steenweg) en 2° Kruisabeele (combinatie van kruis en de boomsoort abeel).
Het oude Zwin werd
lange tijd beschouwd als een natuurlijke waterloop: een stroom waarlangs verscheidene
nederzettingen tot stand kwamen. Bodempeilingen hebben echter aangetoond dat het oude Zwin
een kunstmatig kanaal was. Gegraven omstreeks 1290, met de bedoeling het water van een
droog te leggen gebied af te voeren, zou het Oude Zwin slechts accidenteel voor
scheepvaart zijn gebruikt. In de bedding van het oude Zwin heeft men later in 1564, een
nieuw kanaal gegraven dat van tweeërlei nut was: afwatering en in mindere mate
scheepvaart. Maar ook dit kanaaltje raakte gedempt. Tot voor een paar jaar kon je, naast
de voormelde weg naar Knokke, de lage 'dijken' zien waarin eertijds de bedding lag van het
Oude Zwin.
Ingenieur Louis Coiseau plande een binnenhaven op het grondgebied van
Koolkerke en een kanaal, uitmondend tussen Heist en Blankenberge en verbonden met de
Brugse binnenhaven (nu: Boudewijnkanaal). Deze binnenhaven noemde men de Handelskom.
Deze handelskom is lange tijd belangrijk geweest voor de aanvoer van
verschillende houtsoorten en de scheepsbouw.
In de 17de eeuw werd het havengebied aan de kom voorzien van een Fort (Fort
Lapin). In 1702 kwam er een 2de fort: het Fort Bavičre of Fort van
Beieren. Het was Napoleon die in 1810 tijdens de Franse
bezetting de opdracht gaf voor een nieuwe verbinding van Brugge met de Westerschelde via
Sluis: de Damse vaart. In 1815 werd door de val van Napoleon de Schelde
nooit bereikt.
De hoofdbezigheid van
de Koolkerkenaren was toen landbouw. Naast vlas, rogge, tarwe, bieten en tabak werden
vooral aardappelen geteeld. Door de aardappelziekte van 1845-1850 werd Koolkerke
ondergedompeld in een periode van hongersnood en ziekte. Door de armoede trokken velen
naar de rand om in de haven of langs de kom te werken. Zo ontstonden de eerste 2 wijken:
het dorp en het Fort Lapin. Aan de binnenhaven was de verkoop van drank een bloeiende
handelsvorm geworden. Dit bracht ook mee dat de herbergen te vinden waren langs de
Koolkerkse steenweg, de Brugse steenweg en het Fort Lapin.
Het is pas door de aanleg van de Zeebrugse haven in 1907 dat Koolkerke in 1899 bijna de
helft van haar grondgebied (ongev. 400ha) moest prijsgeven aan Stad Brugge. (Dit is nu de
huidige Parochie St.- Jozef). Door het graven van het Boudewijnkanaal was Brugge weer
rechtstreeks verbonden met de zee.
In 1931 werd de parochie Koolkerke officiëel gesplist in 2 parochies: St. Niklaas
en St.-Jozef.
Eerste
vermeldingen van de naam 'Koolkerke'
Omstreeks het einde van de dertiende eeuw en in het begin van de 14de eeuw vinden wij
Robrecht, Jan, Walter, Lammin, Zeger en Willemin van Koolkerke. Heer Riquardus was in 1368
priester te Koolkerke; in 1615 was dit Joos Berchem.
Oorsprong van
de naam Koolkerke
Hiervoor bestaan een 3-tal versies:
Een eerste is dat de naam Koolkerke afkomstig zou zijn van de plaatsing
van de kerk: de kerk lag op de hoogste plaats, "Kool of ten Kole". Daarvan zou
de patroonheilige St.- Kool of St.-Niklaas afgeleid zijn.
Een tweede versie zou zijn dat Koolkerke genoemd zou zijn naar Nicolaas
Gaillard, zoon van Karel en de kleinzoon van Hugo Gaillard, die zich in de elfde eeuw in
Vlaanderen gevestigd hadden. Nicolaas Gaillard zou in 1150 de kerk van Koolkerke gebouwd
hebben. In de volksmond droeg Nicolaas de naam van 'Cool'. Ook zou de plaats aanvankelijk
'Cool-Gaillard-kerk' geheten hebben. Deze verklaring zou terug te vinden zijn in de
familiekroniek van de familie Gaillard opgemaakt in 1540.
| Schrijfwijzen: | 1243 | Coolkercke |
| 1247 | Colkercka | |
| 1258 | Colekerke | |
| 1289 | Coelkerke | |
| 1298 | Coolkerke | |
| 1315 | Colkerke | |
| 1615 | Koolkerke |
Figuren:
De familie Despars : In 1482 werd Cornelis Despars heer van Ten
Berghe. Zijn vader, Jacob Despars, had een lijvige bundel documentatie nagelaten over de
geschiedenis van Vlaanderen. Nicolaas Despars, zoon van Cornelis, had in Brugge een
gevulde politieke loopbaan. Hij was eerst schepen en later burgemeester van Brugge, waar
er een straat naar hem genoemd werd. Nicolaas Despars verzamelde tal van kronieken die hij
publiceerde onder de titel : 'Chronycke vanden lande en graefscepe van Vlaenderen'.
Philippus Jongheryck werd na 29 jaar herderschap te Vladslo op het einde
van de zeventiende eeuw, pastoor te Koolkerke. Hij schreef een werk onder de titel: 'Den
kint baerenden man' (1698). Deze bundel gedichten bevat een twintigtal stukken die op
plaatselijk gebied belangrijk zijn, bvb. De klacht tegen de Lollepot, een
stukje dat geschreven werd naar aanleiding van een brand in de Waterhalle te Brugge, toen
daar een vertoning werd gegeven door een Rederijkerskamer. De oorzaak van de brand was een
'lollepot' of vuurpot die een meisje naar de vertoning had meegenomen. Een ander stukje is
opgedragen aan een dwergmeisje uit Koolkerke dat naar het Hof van de Koningin van Spanje
werd geroepen, en aan wie de pastoor tal van goede raadgevingen meegeeft. Het werk is
opgedragen aan burgemeesters en schepenen van 't Vrije.
Folklore:
In de streek van Koolkerke was tot op het einde van de negentiende eeuw het
geloof aan toverij levendig. De tovenaressegrond zijn ronde plaatsen in
de weiden waarom het gras groener staat dan elders. Daar hebben de toveressen bij nacht
gedanst. Nachtdansen van heksen zijn veelal een later ontstane variatie op de bekende
elfendansen. Ook het geloof aan klokputten en verzonken kerken
was er levendig.Eveneens in de streek van Koolkerke bestond het geloof dat men als
jongeling niet lichtzinnig mocht spreken over een boreling die naar de doopvont werd
gedragen. Iemand had lachtend gezegd: ''k Zal wachten met trouwen totdat zij groot is!' En
zo gebeurde het : jaren later trouwde hij met haar. Vandaar komt de volksspreuk: De boer
achter de ploeg, de vrouw over de vont, dat is nog tijd genoeg!'
In 'De Langen
Adieu' van Edewaerd De Dene, worden de inwoners van Koolkerke
met de bijnaam warmoeseters bedacht
Warmoes is oude benaming voor bladgroente, erwten, bonen kool en
wortelen te samen. Ook etymologisch uitgelegd als warm moes, warme groente,
groentekweker, die meestal zelf op de groentemarkt zijn
tuinbouwprodukten verkocht. Tot ca. 1900 werd de term warmoezenier gebruikt. Het woord is
in de 20e eeuw in onbruik geraakt. Dat Koolkerke de moestuin moet geweest zijn voor Brugge
kun je afleiden uit een aantal straatnamen: Hovenierstraat, Warmoezenierstraat, en heel
nieuw de Potagierstraat (zijstraat van de Gemeneweidstraat, de naam verwijst naar een oude
hoeve). De groententeelt kan ook de naam Koolkerke voortgebracht hebben (cool-kerke).
Hiermee zijn we beland aan de derde verklaring van de naam.